DeHypothekenMakelaar.nl
Financieel maatwerk van Annu´teit tot Zero-bond en VerbijsterendAdvies voor uw verzekering van Auto tot Zeilboot.

Wijzigingen financiele cijferbrei 2016

 

Op 1 januari 2016 zijn diverse wijzigingen doorgevoerd die van invloed zijn voor een passend financieel advies. In dit bericht een beknopt overzicht van een deel van die wijzigingen.

 

Sociale zekerheid

Per 1 januari 2016 zijn de AOW, Anw, WW, WIA, TW, Bijstandsuitkering, IOW, IOAW en IOAZ aangepast als gevolg van de stijging van het wettelijk minimumloon per 1 januari 2016 omdat deze uitkeringen gekoppeld zijn aan het wettelijk minimumloon dan wel het wettelijk maximum dagloon. Voor iedereen van 23 jaar en ouder is het wettelijk minimumloon in 2016 € 1.524,60 per maand, uitgaand van een voltijds dienstverband (januari 2015: € 1.501,80). Overigens wordt het wettelijk minimumloon halfjaarlijks aangepast.

Het maximum dagloon bedraagt per 1 januari 2016 € 202,17 per dag (2015: € 199,15). Dat is op jaarbasis        € 52.766,37 (2015: € 51.978,15).

De maxima voor een WW-uitkering stijgen daardoor tot € 3.297,90 (75%) voor de eerste twee maanden en daarna € 3.078,04 per maand (70%). Deze bedragen zijn inclusief vakantiegeld.

Ook de maxima van de IVA en WGA zijn hierdoor veranderd.

IOW-uitkering stijgt licht

Oudere werklozen kunnen na afloop van hun WW-uitkering in aanmerking komen voor een IOW-uitkering (uitkering voor oudere werklozen). Met ingang van 1 januari 2016 wordt de IOW-uitkering iets verhoogd. Daardoor hoeven alleenstaande IOW-ers naast de IOW-uitkering niet ook nog een uitkering op basis van de Toeslagenwet aan te vragen.

Duur WW en WGA-loongerelateerde uitkering

Zoals al is bericht in het overzicht van gisteren, wordt de duur van de WW- en WGA-uitkering afgebouwd naar straks nog maar 24mnd. De maximale duur hangt samen met het arbeidsverleden, dat op een andere wijze wordt vastgesteld. De verlaging van de maximale duur van een WW-uitkering kan via een cao worden opgevangen.

Pensioenopbouw

Sinds 2015 is in box 1 gefacilieerde pensioenopbouw (opnieuw) versoberd. Dit heeft te maken met het feit dat als uitgangspunt van een goed pensioen niet meer wordt gekozen voor “70% van het laatstverdiende loon”, maar voor “75% van het gemiddelde loon”. De opbouwpercentages voor middel- en eindloonregelingen worden per 1 januari 2016 niet verder aangepast en blijft:

·                voor middelloonregelingen maximaal 1,875%.

·                voor eindloonregelingen maximaal 1,657%.

Voor pensioenregelingen waarbij de pensioenleeftijd lager ligt dan 67 jaar, zijn de opbouwpercentages lager.

Omdat de AOW-bedragen zijn aangepast, wordt wel de minimale AOW-franchise voor pensioenregelingen van werknemers aangepast. Sinds 2015 is deze afhankelijk van het gekozen pensioensysteem. In 2016 zijn de minimale AOW-franchises:

·                Voor een eindloonregeling € 14.657 (2015: € 14.204).

·                Voor een middelloonregeling/beschikbare premieregeling € 12.953 (2015: € 12.552).

Vanaf 2016 geldt voor pensioen in eigen beheer:

·                Een minimale AOW-franchise van € 21.441 (2015: € 20.721) bij eindloonregelingen.

·                Een minimale AOW-franchise van € 18.948 (2015: € 18.312) bij middelloonregelingen/ beschikbare premie.

Overigens zal in de loop van 2016 duidelijk worden gemaakt wat de toekomst wordt van pensioenopbouwmogelijkheden voor DGA’s. Het is op basis van de huidige plannen onwaarschijnlijk dat pensioen in eigen beheer vanaf 2017 nog mogelijk is.

Pensioenopbouw met gebruik van de omkeerregeling is bovendien gemaximeerd op € 101.519 (2015: € 100.000). Daarboven is alleen nettopensioen mogelijk (met een vrijstelling in box 3).

De afkoop van een klein ouderdomspensioen bij beëindiging deelneming is mogelijk indien het ouderdomspensioen op reguliere pensioendatum minder zal bedragen dan € 465,94 per jaar (2015: € 462,88).

Levensverzekeringen en lijfrente

De jaarruimte met betrekking tot uitgaven voor inkomensvoorzieningen bedraagt in 2016 maximaal € 12.355 (2015: € 12.153). Er geldt een maximale premiegrondslag van € 101.519 (2015: € 100.000). De minimale AOW-franchise in de derde pijler is € 11.996 (2015: € 11.936).

De maximale jaarruimte kan ook als volgt worden berekend:

13,8% x (PGS€ 101.519 -/- FR€ 11.996) -/-6,5A = € 12.355.

De formule voor berekening van de jaarruimte is ongewijzigd gebleven ten opzichte van 2015.

De reserveringsruimte bedraagt maximaal € 7.088 (2015: € 7.052) maar ten hoogste 17% van de geldende premiegrondslag (maximaal € 13.997 voor belastingplichtigen die aan het begin van het kalenderjaar een leeftijd hebben bereikt van 55 jaar en 6 maanden (2015: € 13.927)).

De maximale jaaruitkering voor de tijdelijke oudedagslijfrente is € 21.248 (2015: € 21.142).

De fiscaalverzachtende afkoopregeling voor zogenaamde kleine lijfrenteverzekeringen met een waarde in het economisch verkeer wordt maximaal € 4.303 (2015: € 4.281).

De maximale dotatie aan de oudedagsreserve blijft 9,8% van de winst. De absolute jaarlijkse maximumdotatie is wel verhoogd naar € 8.774 (2015: € 8.631).

De lijfrentepremieaftrek voor stakende ondernemers wordt respectievelijk  € 449.283, € 224.649 of € 112.330 (2015: € 447.047, € 223.531 of € 111.771), afhankelijk van de leeftijd op het moment van staken, dan wel de mate van arbeidsongeschiktheid of het direct laten ingaan van de uitkeringen.

De vrijstellingen voor de KEW (en SEW en BEW) onder het overgangsrecht zijn verhoogd naar € 36.800 (2015: € 36.600) bij een premiebetalingsduur van 15 tot 20 jaar en € 162.000 (2015: € 161.500) bij een premiebetalingsduur van 20 jaar of langer.

Voor inkomens boven de € 101.519 is het mogelijk om over het meerdere te sparen voor de oude dag in een nettolijfrente. Daarvoor is sinds 2015 een extra vrijstelling in box 3 in de wet opgenomen.

De hoogte van de maximaal vrijgestelde premie in enig jaar, is onder meer afhankelijk van de leeftijd van de belastingplichtige. Dit is geregeld in het Uitvoeringsbesluit van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 (een nieuw artikel 17bis).

Tot slot refereren we aan de vrijlating van lijfrenteopbouw voor bijstandsgerechtigden vanaf 1 april 2016. Daarover is op 10 december 2015 reeds een bericht verschenen op WftNU (zie externe links).

Schenk- en erfbelasting

De tariefschijf en vrijstellingen voor de schenk- en erfbelasting wijzigen op 1 januari 2016.

De eerste tariefschijf voor de schenk- en erfbelasting gaat omhoog naar € 121.903 (2015: € 121.296).

De vrijstellingen voor de schenk- en erfbelasting worden allen verhoogd met 0,5% (naar boven afgerond tot hele euro’s).

·                De vrijstellingen voor de schenkbelasting bedragen in 2016:

o                     Kinderen (jaarlijks): € 5.304 (2015: € 5.277)

o                     Kinderen 18-40 jaar (eenmalig): € 25.449 (2015: € 25.322)

o                     Kinderen 18-40 jaar (eenmalig) indien schenking wordt aangewend voor de eigen woning of voor een studie: € 53.016 (2015: € 52.752)

o                     Overige verkrijgers: € 2.122 (2015: € 2.111)

·                De tijdelijk verruimde schenkingsvrijstelling voor de eigen woning van € 100.000 geldt niet in 2015 of 2016, maar komt terug in 2017. Er zijn wel verschillen ten opzichte van de oude verruimde schenkingsvrijstelling:

·          

o                     De nieuwe schenkingsvrijstelling is permanent;

o                     geldt alleen voor ontvangers van 18 tot 40 jaar;

o                     mag alleen aangewend worden ten behoeve van de eigen woning;

o                     en kan uitgesmeerd worden over drie aaneengesloten kalenderjaren.

·                De vrijstellingen voor de erfbelasting bedragen in 2016:

o                     Partners: € 636.180 (2015: € 633.014)

o                     Kinderen en kleinkinderen: € 20.148 (2015: € 20.047)

o                     Bepaalde zieke en gehandicapte kinderen: € 60.439 (2015: € 60.138)

o                     Ouders: € 47.715 (2015: € 47.477)

o                     Overige verkrijgers: € 2.122 (2015: € 2.111)

AFM-leidraad vermogensbeheerders

Op 22 december 2015 heeft de AFM een nieuwe leidraad gepubliceerd met de titel “Aandachtspunten voor vermogensbeheerder met een eigen aanbieder van beleggingsfondsen”. De AFM heeft vastgesteld dat vermogensbeheerders die vermogens beheren in huisfondsen mogelijk een integriteitsdilemma hebben. Als vermogensbeheerders niet uitsluitend beleggen in huisfondsen, maar ook gebruik maken van fondsen van andere aanbieders, ziet de AFM de meeste risico’s op mogelijke ongewenste prikkels en belangenconflicten.

Wanneer het huisfonds bijvoorbeeld doorbelegt in fondsen van externe aanbieders, kan de neiging bestaan alleen goedkope externe fondsen te selecteren, waardoor het huisfonds de hoogste marge verdient. De AFM wijst vermogensbeheerders in de leidraad op de mogelijkheid om een vaste (gemiddelde) winstmarge voor het huisfonds te hanteren, waardoor deze margeprikkel wordt vermeden. Daarnaast moeten vermogensbeheerders de volumeprikkel, om zoveel mogelijk klanten te laten beleggen in het eigen fonds, beperken. Ook moet het beleggingsbeleid goed bij klanten bekend zijn, zodat het duidelijk is wanneer er bijvoorbeeld wordt geswitcht naar andere fondsen als het huisfonds niet volgens verwachting presteert. Vermogensbeheerders worden aangespoord deze aandachtspunten mee te nemen in de bedrijfsvoering.

 Overige relevante (voorgenomen) wijzigingen

·                De regels voor crowdfunding worden vereenvoudigd. Dit betekent niet alleen dat ondernemingen makkelijker geld kunnen ophalen, maar ook dat particulieren mogelijk meer geneigd zijn een deel van hun vermogen te investeren via crowdfunding om daarmee een hoger rendement te behalen dan op een spaarrekening of via ‘normale’ beleggingen.
De nieuwe regelgeving gaat vermoedelijk in op 1 april 2016, maar dat is nog niet zeker. De ingangsdatum zal gepubliceerd worden in de Staatscourant of het Staatsblad. 

·                Er komt een centraal aandeelhoudersregister. In dit register staat informatie over de aandeelhouders van besloten vennootschappen (bv's) en niet-beursgenoteerde naamloze vennootschappen (nv's). Het register wordt niet openbaar toegankelijk. Dit heeft te maken met de privacy. Het register is alleen toegankelijk voor de aandeelhouders, notarissen en overheidsdiensten. Het register wordt ondergebracht bij het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.  Nu gebeurt de registratie van aandeelhouders door verschillende partijen. Dit geeft geen volledig beeld. Bovendien is de informatie niet altijd actueel of niet toegankelijk voor het uitvoeren van controle en toezicht door de overheid.
De voorgenomen ingangsdatum van dit register was 1 januari 2016, maar dat is niet gehaald. De exacte ingangsdatum zal binnenkort bekend worden gemaakt via de Staatscourant of het Staatsblad. 

·                In het kader van de invoering van Solvency II, geldt er vanaf 1 januari 2016 in specifieke situaties een vrijstelling van het toezicht op verzekeraars door De Nederlandsche Bank. Deze vrijstelling geldt alleen voor kleine natura-uitvaartverzekeraars en kleine schadeverzekeraars. Wat hieronder wordt verstaan, kunt u teruglezen in de externe links.
Deze vrijstelling heeft niets te maken met de zorgplicht: die blijft onverminderd van kracht. Het is slechts een vrijstelling voor het toezicht met betrekking tot solvabiliteit.

Bron: Wftnu

Toegevoegd:

DeHypothekenMakelaar.nl



Laatste update: 05/01/2016 09:24.07