DeHypothekenMakelaar.nl
Financieel maatwerk van Annu´teit tot Zero-bond en VerbijsterendAdvies voor uw verzekering van Auto tot Zeilboot.

Zes fiscale maatregelen die in het regeerakkoord staan, komen via een nota van wijziging in het Belastingplan 2018. Dat heeft staatssecretaris Snel van Financiën bekend gemaakt. Daarnaast wordt het geleidelijk afschaffen van de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld geregeld in een wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 2001.

Staatssecretaris Menno Snel: 

Het mag duidelijk zijn dat een aantal maatregelen die zijn afgesproken in het regeerakkoord, al in 2018 ingaan. Er zijn ook een aantal maatregelen die in 2019 in moeten gaan, maar waar een uitvoeringstermijn voor zit, waardoor ook die maatregelen tijdig geregeld moeten worden. 

Plenaire behandeling en stemmingen in de Tweede Kamer van het pakket Belastingplan 2018 zijn gepland op: 21, 22 en 23 november.

De volgende zes maatregelen komen in het Belastingplan: 

  1. Aanpassing van de vermogensrendementsheffing, die al in 2018 ingaat.  
  2. Het geleidelijk afschaffen van de inkomensafhankelijke combinatiekorting en arbeidskorting, een maatregel die per 2019 ingaat.  
  3. Het verhogen van de ouderenkorting en het introduceren van de geleidelijke afbouw van de ouderenkorting met 15%, een maatregel die ook in 2019 ingaat.  
  4. Het terugdraaien van de verlenging van de eerste tariefschijf in de vennootschapsbelasting, zoals opgenomen in het Belastingplan 2017. Dat moet per 2018 ingaan.  
  5. Het verhogen van het effectieve tarief van de Innovatiebox van 5% naar 7%, een maatregel die ook in 2018 moet ingaan.  
  6. Het verhogen van de tabaksaccijns, een maatregel die ook in 2018 ingaat.

Afschaffen geen of geringe eigenwoningschuld In 30 jaren uitgefaseerd

De maatregel Het geleidelijk afschaffen van de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (wet-Hillen of regeling-Hillen) dat in 2019 moet ingaan.die Menno Snel in het wetgevingsoverleg Belastingplan 2018 noemde, zien we niet terug in de nota van wijziging op het Belastingplan 2018. De staatssecretaris heeft hiervoor een voorstel van wet tot wijziging van de Wet IB 2001 tot het geleidelijk uitfaseren van de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld naar de Tweede Kamer gestuurd. De voorziene inwerkingtreding van deze maatregel is 1 januari 2019. Vanwege de noodzakelijke systeemwijzigingen bij de Belastingdienst moet deze maatregel op 1 januari 2018 vaststaan om op 1 januari 2019 in werking te kunnen treden. Dit wetsvoorstel strekt tot het treffen van deze maatregel. Met de voorgestelde maatregel wordt de aftrek met ingang van 1 januari 2019 in gelijke stappen in dertig jaren uitgefaseerd. Dit betekent dat per 2019 nog 96,666% van het verschil tussen het eigenwoningforfait en de daarop drukkende aftrekbare kosten in aanmerking wordt genomen, in 2020 nog 93,333% van genoemd verschil et cetera, tot de aftrek met ingang van 1 januari 2048 geheel is vervallen.

Maatregel 1. Aanpassing box 3  

Met deze nota van wijziging worden de maatregelen uit het regeerakkoord in het voorstel van wet opgenomen die zien op de vermogensrendementsheffing (box 3).

Dichter bij werkelijk rendement

Het forfaitaire rendement zal als gevolg van deze voorstellen dichter aansluiten bij het gemiddelde werkelijke rendement, doordat voor het rendement over het aan het spaardeel toegerekende gedeelte van de grondslag voortaan gebruik wordt gemaakt van actuelere cijfers.

Hoger heffingsvrij vermogen

Daarnaast wordt voorgesteld het heffingsvrije vermogen te verhogen naar € 30.000. Het heffingsvrije vermogen voor fiscale partners gezamenlijk wordt dan € 60.000.  

2 Afschaffen uitbetaalbaarheid IACK en AHK

De hoofdregel is dat heffingskortingen niet meer zullen worden uitbetaald, maar voortaan alleen nog verzilverd kunnen worden tegen de eigen inkomstenbelasting.  

Uitzondering op hoofdregel 

Een uitzondering op deze hoofdregel geldt voor de algemene heffingskorting (AHK), de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK). Als de minstverdienende partner deze heffingskortingen niet (volledig) tegen de eigen inkomstenbelasting kan verzilveren, worden deze kortingen (deels) aan hem uitbetaald mits de meestverdienende partner wel voldoende belasting betaalt.  

Afbouw percentage 

In 2017 bedraagt dit percentage 40% en het zal vanaf 2023 0% bedragen. Voorgesteld wordt met ingang van 1 januari 2019 ook de uitbetaalbaarheid van de arbeidskorting en IACK te beperken tot het voor de AHK geldende percentage van de uitbetaalbaarheid en om deze beperking voor minstverdienende partners van alle leeftijden te laten gelden.  

Minder inkomensverschillen tussen een- en tweeverdieners 

Deze maatregel leidt tot een verkleining van de inkomensverschillen tussen eenverdieners enerzijds en (kleine) tweeverdieners anderzijds. Eenverdieners kunnen namelijk niet in aanmerking komen voor de uitbetaling van de arbeidskorting en IACK. Voor tweeverdieners wordt deze mogelijkheid met deze maatregel afgebouwd en uiteindelijk afgeschaft.  

Twee effecten op werkgelegenheid 

  1. De maatregel beïnvloedt de keuze om te gaan werken. Het financiële voordeel van een kleine baan wordt als gevolg van de maatregel kleiner omdat de minstverdienende partner uiteindelijk niet meer in aanmerking komt voor de uitbetaling van de arbeidskorting en IACK.  
  2. De maatregel vergroot de prikkel om meer te gaan werken, omdat de minstverdienende partner dan een groter deel van de arbeidskorting en IACK kan verzilveren.  

Doordat de maatregel ook gaat gelden voor oudere werkenden, gaat er ook voor hen, in lijn met de doelstelling van de arbeidskorting en de IACK, een stimulans van uit om het aantal werkuren op peil te houden of eventueel uit te breiden.  

3 Verhogen en introduceren afbouw ouderenkorting  

De ouderenkorting bedraagt € 1.418 als de belastingplichtige een verzamelinkomen heeft van niet meer dan € 36.346.

Bij een hoger verzamelinkomen bedraagt de ouderenkorting € 72 (bedragen 2018, rekening houdend met het voorstel van wet en indexatie).

Voorgesteld wordt om op 1 januari 2019 het hoge bedrag van de ouderenkorting, na indexatie op 1 januari 2019, te verhogen met € 160 en om de ouderenkorting vanaf een bepaald inkomen voortaan geleidelijk af te bouwen naar nihil.  

Voor ouderen met een laag inkomen

Het kabinet kiest ervoor de ouderenkorting af te bouwen tot nihil omdat de ouderenkorting is bedoeld als inkomensondersteuning voor ouderen met een laag inkomen en het kabinet deze inkomensondersteuning niet langer nodig acht bij het verzamelinkomen waarbij de ouderenkorting bij de voorgestelde afbouw volledig is afgebouwd.

Bron: Tweede Kamer, wetgevingsoverleg Belastingplan 2018, Nota van wijziging Belastingplan 2018

DeHypothekenMakelaar.nl



Laatste update: 14/11/2017 08:11.51