DeHypothekenMakelaar.nl
Financieel maatwerk van Annu´teit tot Zero-bond en VerbijsterendAdvies voor uw verzekering van Auto tot Zeilboot.

 

Beroep op Nationale Hypotheek Garantie (NHG) verworpen obv NIET te goeder trouw en NIET volledige medewerking

Een voormalig huiseigenaar [A] is door de Rechtbank Den Haag in het ongelijk gesteld. De voormalige huiseigenaar had een betalingsachterstand van ruim 18 maanden. De woning is met verlies verkocht. Stichting WEW ontving van de geldverstrekker een verliesdeclaratie ten bedrage van € 56.346,70. SWEW heeft dit bedrag bij de voormalige eigenaar gevorderd.

Conform de vaste gedragslijn van Stichting WEW – die door [A] op zichzelf niet ter discussie is gesteld – is een geldlener te goeder trouw indien hij de geldlening niet meer kan betalen als gevolg van relatiebeëindiging, niet-verwijtbare werkloosheid en/of arbeidsongeschiktheid, en hierdoor verkoop van de woning onvermijdelijk was. Daarnaast kunnen er nog bijzondere omstandigheden zijn die maken dat een geldnemer aan het criterium ‘te goeder trouw’ voldoet. Van volledige medewerking is sprake indien de geldnemer zich volledig heeft ingespannen voor het zo goed mogelijk terugbetalen van de lening. Bij de beoordeling hiervan worden alle feiten en omstandigheden meegewogen in de periode vanaf het afsluiten van de lening en dus niet enkel de gedragingen vanaf het moment dat het duidelijk is dat waarschijnlijk een restschuld zal ontstaan

Inkomensgegevens
Op de door [A] bij dagvaarding overgelegde salarisspecificaties staat dat hij in de maanden januari tot en met oktober 2013 salaris heeft ontvangen van [BV I] . Voorts is een jaaropgave over het jaar 2014 overgelegd van [BV II] , welke vennootschap volgens [A] uiteindelijk de activiteiten van [BV I] zou overnemen (zie onder 2.19.). In deze jaaropgave staat een heffingsloon van [A] van € 8.613,-- vermeld.

Naar de rechtbank begrijpt wil [A] door overlegging van deze stukken onderbouwen dat aan hem niet kan worden verweten dat hij de hypothecaire lening niet meer kon betalen, althans dat hij niet verwijtbaar werkloos is geworden. Deze stukken zijn echter onvoldoende om dit te kunnen vaststellen. [A] heeft bijvoorbeeld niet inzichtelijk gemaakt of en op welke wijze zijn arbeidsovereenkomst is beëindigd, of hij contact heeft gehad met het UWV en of hij andere inkomsten heeft gehad. Het had op zijn weg gelegen om hier meer informatie over te verschaffen. Ook is gesteld noch gebleken op welke wijze [A] – in het geval hij daadwerkelijk geen inkomsten genoot in de periode waarin de betalingsachterstand is ontstaan – heeft geprobeerd om inkomsten te verwerven en zo dit niet is gelukt, waarom dit niet aan hem te verwijten valt.

Medewerking
Van ‘volledige medewerking’ is sprake indien de geldnemer zich heeft ingespannen voor het zo goed mogelijk terugbetalen van de lening. Stichting WEW stelt hierbij als voorwaarde dat de woning zo mogelijk onderhands moet worden verkocht (zie onder 2.21), nu dit tot een hogere verkoopopbrengst leidt. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een gerechtvaardigde voorwaarde.

Vast staat, dat de woning van [A] executoriaal is verkocht, zodat aan dit criterium niet wordt voldaan. Daarnaast blijkt uit het verslag van de taxateur van de Bank (zie onder 2.9.) dat [A] niet, althans onvoldoende, heeft meegewerkt aan een bezichtiging van de woning. Gevolg hiervan was onder meer dat de Bank genoodzaakt was het huurbeding in te roepen, alvorens de Bank kon overgaan tot verkoop van de woning. Ook na de (gevel)taxatie heeft [A] geen medewerking verleend aan de verkoop van de woning, zodat uiteindelijk het traject van executoriale verkoop is opgestart. Daarnaast heeft [A] weliswaar op de dag van de door hem aanhangig gemaakte kort geding procedure (zie onder 2.14.) een bedrag van € 5.000,-- voldaan, echter bestond er nog steeds een aanzienlijke betalingsachterstand. Bovendien heeft [A] niet weersproken dat hij zowel in de periode voorafgaand aan de taxatie van de woning, als ten tijde van het daarna door de Bank en Stichting WEW ingezette traject van de executoriale veiling niet, dan wel nauwelijks bereikbaar was voor Stichting WEW. Het voorgaande leidt ertoe dat ook aan het criterium ‘volledige medewerking’ niet is voldaan.

Beslissing
Voor het overige heeft [A] geen feiten of (bijzondere) omstandigheden gesteld, die ertoe leiden dat Stichting WEW tot kwijtschelding van de restschuld over dient te gaan. Stichting WEW heeft zich dan ook rechtens op het standpunt kunnen stellen dat [A] niet in aanmerking komt voor kwijtschelding. Dat betekent dat Stichting WEW, in overeenstemming met het uitgangspunt van artikel 7:866 lid 1 BW, de restschuld in regres op [A] kan verhalen. Dit betekent dat de vorderingen van [A] worden afgewezen.

Bron: Rechtspraak.nl

DeHypothekenMakelaar.nl

 




Laatste update: 03/07/2018 12:13.12